Nieuws

Om voldoende biest en melk voor biologische zeugen te produceren is er geen extra drinkwater nodig. Dit blijkt uit onderzoek van Wageningen UR. Het onderzoek is uitgevoerd op Praktijkcentrum Raalte in de periode van april tot en met september 2008. De resultaten van biologische zeugen die tweemaal daags 2 liter water extra kregen bij het voer in de trog gedurende de eerste drie dagen na het werpen zijn vergeleken met die van zeugen die geen extra drinkwater kregen. De overige proefomstandigheden, zoals hokuitvoering, klimaat en verzorging, waren voor alle zeugen en biggen hetzelfde.

Tijdens de dracht kregen de zeugen tweemaal daags een commercieel biologisch drachtvoer via een trog en een voorraadvoederbak. Gemiddeld één week voor de verwachte werpdatum gingen de zeugen als groep naar de kraamstal. Voor werpen werd geleidelijk overgeschakeld op een commercieel biologisch lactozeugenvoer. Daarnaast kregen ze in de kraamstal dagelijks ruwvoer verstrekt in de vorm van biologisch stro.

Alle zeugen konden onbeperkt water opnemen via een nippel boven het rooster. Het overleggen van biggen om de tomen te uniformeren, gebeurde zonodig in de eerste 3 levensdagen. Het bijvoeren van biggen vond vanaf 2 weken leeftijd plaats via een droogvoerbak in het biggennest. Water was beschikbaar via een drinkbak boven het rooster.

Het waterverbruik van de zeugen die extra water kregen in de eerste drie dagen na werpen, was gemiddeld ruim 2 liter hoger dan van de zeugen die geen extra water kregen. Het gemiddelde waterverbruik lag op de dag van werpen op 15 liter en nam toe tot 23 liter per dag op de derde dag na werpen. Dit niveau bleek voldoende voor de biest- en melkproductie, want tussen de proefgroepen zijn geen verschillen gevonden in biggengroei en -sterfte tijdens de zoogperiode.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.