Column

Fokverbod geiten

Natuurlijk staat het belang van de volksgezondheid voorop. Daarom is een uitgebreide risicoanalyse op de verspreiding van Qkoorts van groot belang. De ziekteverwekker, de Coxiella burnetiibacterie, komt overal in het milieu voor en was al lang bekend bij  bijvoorbeeld slachthuispersoneel.

De bacterie is een zogenaamde sporenvormer en kan daardoor lang overleven in het milieu. De bacterie is immuun tegen uitdroging en kan lang buiten de gastheer in leven blijven. Q-koorts is daarom geen echte dierziekte, maar wordt veroorzaakt door een omgevingsbacterie.

Alle herkauwers (schapen, geiten en koeien) kunnen een bron van infectie voor de mens zijn. Maar ook andere dieren, zoals honden, katten, konijnen, cavia’s en ongedierte, kunnen
besmet en een mogelijke bron zijn. Daarnaast kunnen teken de ziekte overbrengen van wilde dieren op landbouwhuisdieren en mensen. Een dier kan met name rond de geboorte veel kiemen uitscheiden, vooral als zich een abortus voordoet als gevolg van een infectie met Coxiella burnetii.

Juiste maatregelen

De vraag doet zich voor hoe men de Coxiella burnetii-bacterie in het milieu kan bestrijden. Q-koorts was een beroepsziekte van vooral slachthuispersoneel, dierenartsen en veehouders, maar ook van mensen werkzaam in de wol- en leerindustrie.
De bacterie wordt inactief door pasteurisatie of koken. Goed behandelde producten vormen dus geen enkel risico. Maar het drinken van rauwe melk en het eten van rauwmelkse producten moet zoveel mogelijk worden vermeden door mensen met verminderde weerstand.
Maar wat is eigenlijk de rol van honden, katten, konijnen en cavia’s bij de verspreiding van de Coxiella burnetii-bacterie? Welke maatregelen moeten worden genomen in gezinnen die
een van deze dieren als huisdier hebben ten aanzien van de verspreiding en versleping van Q-koorts? Wat is de rol van ratten en muizen bij de verdere verspreiding van Q-koorts?

Risicoanalyse

De nu genomen maatregelen mogen geen faillissement van de geitensector betekenen. Want er is een vaccin tegen de ziekte en er is een test om gezonde dieren te onderscheiden van besmette dieren. Bovendien roeit men de Q-koorts bacterie toch niet uit, omdat deze wijd verbreid in het milieu voorkomt. De vraag is of door het ruimen van drachtige geiten het aantal gevallen van Q-koorts zal afnemen. Had een uitgebreide risicoanalyse niet tot een andere conclusie met betrekking tot het ruimen kunnen leiden? De professionele geitenhouderij heeft zijn verantwoordelijkheid genomen en vraagt al jaren om voldoende entstof tegen Q-koorts.

Er is nog steeds een tekort aan deze entstof! Juist daarom moeten getroffen geitenhouders een goede financiële vergoeding ontvangen voor het ruimen van alle hoogproductieve, drachtige dieren.
De kern van de veestapel wordt geruimd, dus de toekomst van betrokken geitenbedrijf staat op het spel. Er wordt bovendien geen rekening gehouden met de fokwaarde van de dieren en er is (nog) geen regeling voor vervolgschade.

Faillissement

De toekomst van de gehele geitensector staat op het spel door het afgekondigde fokverbod en het blijven ruimen van ingeënte, jonge geiten. Zonder nieuwe aanwas valt straks de melkproductie nagenoeg stil en zijn er geen inkomsten meer op deze geitenbedrijven.
Het fokverbod is daardoor een veel te drastische maatregel, wat de vervolgschade op getroffen geitenbedrijven nog meer uitvergroot.
Er wordt een bom gelegd onder de rentabiliteit van alle geitenbedrijven, zolang men gezonde geiten blijft ruimen en te weinig vertrouwen heeft in het vaccin tegen Q-koorts. Terwijl de ervaringen met het vaccin positief zijn; er zijn geen abortussen meer op betrokken geitenbedrijven na volledige vaccinatie.
Dus in het belang van de volksgezondheid: bestrijding van de Q-koorts “ja”, maar geen failliete geitenbedrijven als gevolg van een verkeerd ruimingsbeleid en onvoldoende entstof!

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.