Nieuws
biomonitor
Italiaans raaigras is een van de gewassen die als biomonitor wordt ingezet.

Het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica (IBED) van de Universiteit van Amsterdam meet stikstofdepositie rond twee boerderijen en in natuurgebieden. Hiervoor zetten de onderzoekers biomonitors in.

Meten

Het onderzoek is in lijn met de aanbeveling van het Adviescollege Stikstofproblematiek (Commissie Remkes). Deze heeft aanbevolen de stikstofdepositie te meten in plaats van alleen te berekenen. Voor de metingen worden biomonitors ingezet.

Gras

In een eerste benadering worden grassen gebruikt als biomonitor. In het onderzoek is gebruik gemaakt van Italiaans raaigras, opgekweekt in de kas onder stikstofarme omstandigheden. Planten worden hierdoor hongerig naar stikstof. De potten staan vervolgens een vaste periode in het veld rondom een boerderij op verschillende afstanden. Alle stikstof die via natte en droge depositie op de plant en op de bodem terechtkomt, zal worden opgenomen door de plant. Hoe meer stikstofdepositie, hoe meer stikstofopname.

Analyse

De plantenpotten worden na een vaste periode opgehaald. Analyse van de vier delen – bovengrondse en ondergrondse plantendelen, bodem en water – geeft inzicht in de depositie. “Stikstofverbindingen zijn belangrijke voedingsstoffen. Het organisme neemt de beschikbare stikstof snel op in situaties waar onvoldoende stikstof beschikbaar is. Van dat feit maken we gebruik om via verschillende benaderingen stikstofdepositie te bepalen”, legt onderzoeker Henrik Barmentlo uit. “Door de stikstof in deze verschillende compartimenten te analyseren, kun je bepalen wat de ruimtelijke patronen zijn van stikstofdepositie rond de locatie.”

Isotopen

De lagere concentratie N15 dicht bij de stal in vergelijking met verderop, wijst op een groter aandeel ammoniak bij de stal. De concentratie n15 is lager in ammoniak dan in stikstofoxiden.

Daarnaast wordt onderzocht in welke mate de plant gebruik maakt van de twee verschillende stabiele isotopen van stikstof. De bron van de depositie kan hiermee worden bepaald. “Stikstof komt in de natuur voor in twee massa’s: 14N en 15N. De meeste N bestaat uit 14N. Een kleine hoeveelheid is 15N. Deze kleine hoeveelheid is belangrijk omdat er bij bepaalde stikstofomzettingen een voorkeur is voor één van de twee vormen. Schommelingen in de verhouding tussen 14N en 15N die op deze manier ontstaan, kunnen we meten. Van dit principe maken we gebruik bij het vaststellen van de bron van stikstofdepositie.”

De stikstof in ammoniak (NH3) die vervluchtigt uit mest heeft een andere 14N:15N verhouding dan de stikstof in stikstofoxiden (NOx) van het verkeer en de industrie. “Door het meten van de 14N :15N verhouding in biomonitors, kun je dus een uitspraak doen van de bron van de opgenomen stikstof”, aldus Barmentlo.

Mossen

biomonitors
Mos is een van de gewassen waarmee de bron van stikstofdepositie wordt opgespoord.

Mossen zijn geschikt om de verhouding tussen 14N en 15N te bepalen.  Bleek Dikkopmos is daarom de biomonitor voor het bepalen van de stikstofverhoudingen. Mossen hebben wel stikstof nodig, maar bezitten geen wortelstelsel. “Ze nemen dus niets op uit de bodem. Voor hun stikstofvoorziening zijn ze aangewezen op neerslag en opname uit de lucht. En dat is stikstofdepositie in de vorm van NHx en NOx.   

Naast biomonitoring met gras en mos gebruiken de onderzoekers micro-organismen (bacteriën en schimmels) als biomonitor.

“Ons uiteindelijke doel is om emissie en depositiepatronen van ammoniak rondom twee melkveestallen in kaart te brengen. Dit doen we zowel ruimtelijk als door de tijd. Door deze manier van onderzoeken, brengen we in kaart welk deel van de uitgestoten ammoniak lokaal neerslaat en welk deel elders.”

Natura 2000

De meest geschikte biomonitors worden uiteindelijk gebruikt in drie Natura 2000-gebieden. Dit zijn gebieden waar het RIVM door middel van Cotag-masten ammoniakdepositie meet en modelleert. “De bedoeling is om na de eerste drie jaar onderzoek met biomonitors, de gemeten stikstofdepositie te vergelijken met de waardes van het RIVM. Wij hopen in de tweede helft van 2022 de eerste resultaten te kunnen presenteren”, aldus Barmentlo.

Lees ook: Onderzoekers toetsen model stikstofdepositie

Lees ook: Stikstofdepositie onderzocht in opdracht Mesdag-fonds

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.