Voer én genetica bepalen risico op speendiarree

Biggen die E. coli-receptoren in de dunne darm hebben, lopen een hoger risico lopen op het ontwikkelen van speendiarree. Ook scheiden ze hogere hoeveelheden E. coli uit in vergelijking met biggen die de intestinale receptoren missen. Dat blijkt uit een recente studie uitgevoerd door Anouschka Middelkoop op het onderzoekscentrum van Schothorst Feed Research. De geteste voerstrategieën beïnvloedden het niveau en de duur van F4-enterotoxigene E. coli-uitscheiding, zowel bij biggen met als zonder de intestinale receptoren.

Minder speendiarree

Het verminderen van speendiarree veroorzaakt door enterotoxigene E. coli (ETEC) is een belangrijk doel in de varkenshouderij. Aangezien therapeutische niveaus van zinkoxide niet toegestaan zijn voor de behandeling van speendiarree binnen de EU zijn, is de rol van voerstrategieën met de toevoeging van functionele voederadditieven steeds belangrijker

Verschillende voerbehandelingen

50 biggen, waarvan 25 biggen positief testten voor E. coli-receptoren (SNP2+) en 25 biggen negatief testten voor E. coli-receptoren (SNP2-), werden gespeend op 30 dagen leeftijd. Ze werden gelijkmatig verdeeld over verschillende voerbehandelingen. Op dag 10 na het spenen werden alle biggen geïnfecteerd met F4-enterotoxigene E. coli. Op dag 0 en dag 22 na spenen werden verse fecesmonsters verzameld van de individuele varkens.

De fecesconsistentie van de monsters werd vastgesteld op een 8-puntsschaal, variërend van ernstige waterdunne diarree tot harde, droge en klonterige ontlasting. Een fecescore van ≤4 werd beschouwd als diarree, terwijl een fecescore van ≤4 in combinatie met F4-ETEC gedetecteerd in het fecesmonster op dezelfde dag werd beschouwd als F4-ETEC diarree.

Meer speendiarree bij biggen met E. coli-receptoren

Resultaten van het onderzoek toonden aan dat het niveau van fecale F4-ETEC-uitscheiding en het percentage varkens dat F4-ETEC diarree ontwikkelde (72 vs. 32%, P < 0.01) na infectie hoger waren, en de duur van F4-ETEC diarree langer (2,6 vs. 0,6 dagen, P < 0.001) bij SNP2+ biggen dan bij SNP2- biggen. Dit leidde ook tot een lager groeipercentage bij SNP2+ biggen (P = 0,03).

Geteste voerstrategieën

Interessant is dat de geteste voerstrategieën het niveau en de duur van F4-ETEC-uitscheiding zowel bij SNP2+ als SNP2- biggen verminderden. De resultaten van deze studie ondersteunen de interesse om genetica en diervoeding te combineren, om de druk van E. coli-infectie in de stal te verminderen, wat ook secundaire en/of co-infecties kan verminderen, zoals door Streptococcus suis.

Bron: Schothorst Feed Research

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Mis geen enkel nieuws uit de diervoederindustrie