Op woensdag 10 april promoveert Romy Veersma aan Wageningen UR op een onderzoek naar het gebruik van lignine als marker voor nutriëntverteerbaarheid bij varkens. De studie speelt in op de toenemende toepassing van vezelrijke reststromen in diervoeding en biedt nieuwe inzichten in het meten van de vertering en darmgezondheid bij monogastrische dieren.
Geen nieuws meer missen? Schrijf je in voor de wekelijkse nieuwsbrief
De diervoederindustrie verwerkt in toenemende mate vezelrijke reststromen in voeders voor monogastrische dieren zoals varkens. Deze reststromen zijn afkomstig uit onder meer de voedselverwerkende industrie en dragen bij aan circulaire en duurzame productie. Tegelijkertijd brengt hun toepassing technologische en nutritionele uitdagingen met zich mee, vooral op het gebied van verteerbaarheid en darmgezondheid.
Om de effecten van voedingsvezels beter te begrijpen, is veldonderzoek nodig dat de vertering in kaart brengt. Hiervoor zijn betrouwbare markers vereist: stoffen die het maag-darmkanaal passeren zonder te worden afgebroken, en die het mogelijk maken om de vertering van nutriënten nauwkeurig te schatten.
Lignine als structureel inerte marker
Veersma onderzocht of lignine – een complex plantaardig polymeer – geschikt is als marker in dergelijke studies. Lignine staat bekend om zijn structurele inertheid, wat betekent dat het grotendeels onverteerd door het maagdarmkanaal passeert. In het onderzoek is de passage van voer-lignine bij varkens gevolgd, met als doel de geschiktheid ervan als verteringsmarker te evalueren.
Daarvoor zijn geavanceerde methoden ontwikkeld om lignine nauwkeurig te kwantificeren in complexe matrices, zoals darminhoud en feces. Deze methode-optimalisatie en -validatie vormen een belangrijke stap richting het standaardiseren van ligninegebruik in nutritioneel onderzoek bij varkens.
Toepassing in de praktijk
De resultaten van het onderzoek bieden handvatten voor toekomstig veldonderzoek naar de effectiviteit van vezelrijke voeders. Betrouwbare markers zoals lignine maken het mogelijk om het effect van diverse vezelfracties op nutriëntopname en darmgezondheid beter te onderbouwen.


