De Universiteit van Aarhus heeft in een nieuw rapport geen algemeen negatief effect gevonden van het methaanremmende veevoeradditief Bovaer op melkproductie, ziektegevallen of sterfte onder melkkoeien. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Deense Agentschap voor Voedsel, Landbouw en Visserij en richtte zich op 73 Deense melkveebedrijven die het middel in 2025 gebruikten.
Aanleiding voor het onderzoek waren signalen van melkveehouders over onder meer verminderde voerinname, lagere melkproductie en gezondheidsproblemen bij koeien die Bovaer kregen toegediend. Onderzoekers analyseerden productiegegevens, ziekte- en sterfteregistraties en voerden gesprekken met veehouders en bedrijfsleiders.
Volgens universitair hoofddocent Niels Bastian Kristensen is in de beschikbare data geen “duidelijke algehele invloed” van Bovaer zichtbaar. Tegelijkertijd benadrukt hij dat de verschillen tussen bedrijven groot zijn en dat de ervaringen van boeren serieus genomen moeten worden. Sommige veehouders omschreven de introductie van het middel als “tegen een muur rijden” vanwege plotselinge problemen binnen de kudde.
Studie kent beperkingen
De onderzoekers wijzen erop dat de studie beperkingen kent. Zo werd slechts een periode van ongeveer drie maanden onderzocht en ontbrak een gecontroleerde vergelijking vóór en na de invoering van Bovaer. Daarnaast viel de introductie van het additief vaak samen met de herfstperiode, waarin melkproductie traditioneel daalt.
Wel constateerden de onderzoekers veranderingen in melkanalyses, onder meer bij eiwit-, ureum- en 3-hydroxybutyraatgehalten. Mogelijk beïnvloedt Bovaer de werking van bestaande analysemethoden, doordat het de processen in de pens van de koe verandert.
Langduriger onderzoek
De Universiteit van Aarhus pleit daarom voor langduriger en systematischer onderzoek. Een nieuw project naar dierenwelzijn, voederinname en gedrag van koeien die Bovaer krijgen loopt inmiddels en moet in 2028 resultaten opleveren.


