RE-gehalte vooral van invloed op ammoniakemissie

Een laag RE-gehalte van het melkveerantsoen heeft vooral invloed op de ammoniakemissie. Ook het ureumgehalte in de melk en de stikstofexcretie per ton melk liggen iets lager voor bedrijven met een relatief laag RE-gehalte. Maar de verschillen hierbij zijn niet erg groot. Dat blijkt uit onderzoek binnen het project Koe & Eiwit.

Vergelijking

Binnen het project Koe & Eiwit zijn bedrijven met de laagste en hoogste RE-gehalten in het rantsoen zijn vergeleken met de 80% bedrijven die daar tussenin zitten. Uit deze vergelijking op basis van data van 2021 blijkt dat de 10% bedrijven met het laagste RE-gehalte in het rantsoen uitkomen op 142. Voor de 10% bedrijven met het hoogste RE-gehalte is dat 178, terwijl het gemiddelde van de tussenliggende 80% van de bedrijven uitkomt op  g RE/kg ds in 2021. De 10% bedrijven met het laagste RE-gehalte voldoen dus al ruimschoots aan de Koe en Eiwit-doelstelling van 155 RE per kg ds in het melkveerantsoen.

Tabel 1_27022024.png

Graskuil en snijmais

De 10% bedrijven met het laagste RE-gehalte hadden een duidelijk lager RE-gehalte in graskuil (153 vs 169) en vers gras (177 vs 189) hebben. Daarnaast is bij hen het aandeel snijmais in het rantsoen beduidend hoger (27,5% vs 18,4%). Voor de 10% bedrijven met het hoogste RE-gehalte zijn deze verschillen precies andersom. .

Ammoniak

Bedrijven met een laag RE-gehalte in het rantsoen scoren relatief goed scoren op indicatoren die te maken hebben met de emissie van ammoniak (NH3). De 10% bedrijven met het laagste RE-gehalte in het rantsoen hebben gemiddeld zowel een lagere NH3-emissie uit stal en mestopslag (8.5 vs 11.2 kg NH3 /GVE) als een lagere NH3-emissie uit bemesting en oogst (23.1 vs 28.3 kg NH3/ha). Het gaat hierbij om berekende NH3-emissies op basis van de rekenregels van de KringloopWijzer en niet om gemeten waardes.

Ureum

Het ureumgehalte in de melk en N-excretie per ton melk zijn beide ook lager voor de 10% bedrijven met het laagste RE-gehalte, hoewel deze verschillen met de andere groepen niet heel groot zijn. De zwakke correlatie tussen RE-gehalte in het rantsoen van de gehele veestapel en ureumgehalte in de melk, geeft aan dat er geen directe lineaire een-op-een relatie tussen beide bestaat. En laat zien dat de relatie tussen RE in het jaarrantsoen en ureumgehalte van tankmelk over een heel jaar dus complex is.

Lachgas

Als laatste resultaatindicator, die nog enigszins relevant is, zien we in Tabel 1 nog broeikasgasemissie uit eigen voerproductie staan. Dit betreft de lachgasemissie via bemesting en mineralisatie. Hieruit blijkt dat bedrijven met een laag RE-gehalte in het rantsoen ook nog eens een wat lagere lachgasemissie uit het veld hebben. Andere resultaatindicatoren hebben geen relevante relatie met het RE-gehalte in het rantsoen. Daarom zijn ze niet opgenomen in de tabel.

Conclusie

Uit de analyses blijkt dus dat sturen op NH3-emissie door middel van het verlagen van het RE-gehalte in het rantsoen geen nadelige invloed hoeft te hebben op andere resultaatindicatoren, zoals bijvoorbeeld broeikasgasemissies.

Bron: Verantwoorde veehouderij

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Mis geen enkel nieuws uit de diervoederindustrie