Een aangepast voer in de laatste fase van de dracht kan de prestaties van hoogproductieve zeugen aanzienlijk verbeteren. Dat blijkt uit onderzoek van Katlyn McClellan en collega’s van South Dakota State University in de VS. De resultaten laten zien dat tweefasenvoedering niet alleen leidt tot een betere conditie rond het werpen, maar ook tot grotere tomen in de volgende cyclus.
In de praktijk krijgen veel zeugen gedurende de volledige dracht hetzelfde voer. Volgens de onderzoekers sluit die aanpak steeds minder goed aan bij de behoeften van moderne, hoogproductieve zeugen. Juist in de laatste 30 tot 40 dagen van de dracht nemen de groei van de foetussen, de ontwikkeling van de uier en de nutriëntenbehoefte sterk toe.
Betere bloed- en micronutriëntenstatus
Om te onderzoeken of een aangepaste voedingsstrategie voordelen biedt, kregen zeugen vanaf circa dag 70 van de dracht óf een standaard drachtvoer óf een apart, nutriëntrijk laatdrachtvoer. Dit tweede voer bevatte onder meer meer aminozuren, vitaminen, sporenelementen, calcium en fosfor.
Zeugen die het verrijkte laatdrachtvoer kregen, hadden vlak voor en na het werpen een betere bloed- en micronutriëntenstatus. Ook verliep het werpproces sneller en was de overleving van de biggen hoger. Daarnaast werden meer biggen gespeend dan bij de controlegroep.
Effect zichtbaar in volgende worp
De voordelen beperkten zich niet tot één worp. Zeugen die in twee opeenvolgende cycli het aangepaste rantsoen kregen, produceerden gemiddeld 2,4 biggen meer totaal geboren en 2,7 meer levend geboren biggen. Volgens McClellan ondersteunen de resultaten daarmee het principe van ‘voeren voor de volgende worp’: investeren in extra voedingsstoffen aan het einde van de dracht betaalt zich later terug.
Volgens de onderzoekers is nog niet exact vast te stellen welke nutriënt verantwoordelijk is voor de verbeteringen. Er wordt gewezen naar bijvoorbeeld de rol van ijzer: de ijzerstofwisseling hangt niet alleen af van de hoeveelheid ijzer in het rantsoen, maar ook van de beschikbaarheid van andere nutriënten zoals vitaminen en sporenelementen.
Waardevolle aanknopingspunten
De onderzoekers benadrukken dat het onderzoek geen nieuwe voedingsnormen vaststelt. Wel wijzen de resultaten erop dat één standaard drachtvoer de behoefte van moderne, productieve zeugen in de laatste drachtfase mogelijk niet volledig dekt. Voor bedrijven die werken met tweefasenvoedering of deze overwegen, biedt het onderzoek daarom waardevolle aanknopingspunten. Een belangrijke beperking blijft de technische mogelijkheid om meerdere drachtvoeders te verstrekken.


